Ze moeten altijd mij hebben!

Blog 4. Luisteren naar probleemjongeren, betekent meer kijken vanuit (on)rechtvaardigheid. Waarom? Daarover gaat dit blog.

Dag allemaal,

Zomergasten, een boeiende aflevering

Psychiater professor Robert Vermeiren was de gast van ‘Zomergasten’ d.d. 4 augustus 2021 en gaf met behulp van enkele heftige filmfragmenten een indringend inkijkje in de psychiatrie en wat hem beweegt. In 2015 kwam hij in contact met een jongerenraad en dat overtuigde hem van de noodzaak om meer naar jongeren te luisteren, minder vanuit medisch perspectief te kijken en de blik meer te richten op hun brede omgeving. De invloed van een externe stressoorzaak als de Covidpandemie, die de leefwereld van kinderen en jongeren behoorlijk op zijn kop heeft gezet, hoort daar ook toe. Hij brak een lans voor een paradigmaverandering van ‘fixen van individuele kwetsbaarheid en verantwoordelijkheid’ naar ‘het beschouwen van het individu in zijn bredere context’ en erkenning dat de maatschappij ook kwetsbaarheid opwekt.

Waarom is luisteren en breder kijken belangrijk?

Mensen willen gehoord worden over zaken die hen aangaan en met respect worden behandeld, blijkt keer op keer uit onderzoek naar het belang van rechtvaardige procedures. Dat geeft hen het gevoel dat ze erbij horen en er toe doen voor anderen. Niet alleen in de praktijk, maar ook onderzoeksresultaten tonen aan dat kinderen en jongeren met probleemgedrag vaak een sterker rechtvaardigheidsgevoel hebben dan gemiddeld. Dat is aangetoond voor kinderen en jongeren met oppositionele en met ADHD problematiek. Dat betekent dat rechtvaardigheid centraal staat in hoe ze over zichzelf en anderen denken. Bij interpretatieruimte zien zij eerder onrechtvaardigheid en zijn ze er mee bezig, dan anderen. Ze protesteren, ook als ze onrechtvaardigheid bij anderen waarnemen en er nadeel van ondervinden. Eigenlijk heel sociaal dus, maar zo wordt het meestal niet gezien. Anderen zien hun gedrag al gauw als oppositioneel en asociaal. Ze komen door hun heftige reactie op onrechtvaardigheid regelmatig in de problemen, vooral als ze daarnaast ook nog op andere aspecten negatief opvallen, zoals een harde of irritante stem. Een onderbouwing van deze zienswijze geef ik in mijn boek ‘Ze moeten altijd mij hebben!’ Een benadering vanuit slogans als ‘Het maakt toch niet uit wat ik doe, het is nooit goed!’ en ‘Het is niet eerlijk!’ Veel kinderen en jongeren met problemen vinden dat ze onterecht de schuld krijgen van dingen die ze niet hebben gedaan, ze voelen zich vaak onrechtvaardig behandeld. Terecht of niet, het stuurt wel hun handelen, emoties en beslissingen. De invloed van rechtvaardigheid en een sterk rechtvaardigheidsgevoel is er vooral bij gedragingen, emoties en situaties met interpretatieruimte (ambigue) en niet zo zeer bij extreme handelingen, emoties of situaties, daar is het wel duidelijk. Het zien en ervaren van onrechtvaardigheid staat vaker aan de basis van probleemgedrag dan we meestal denken.

Negatief opvallen (of niet negatief op willen vallen) is de grootste risicofactor voor het ontwikkelen van probleemgedrag, voor zowel internaliserende- als externaliserende problemen is mijn overtuiging. Dat komt omdat negatieve informatie heel zwaar weegt in vergelijking tot positieve informatie; het stuurt onze beslissingen, handelen en gevoelens. Mensen hebben vanaf een half jaar al een negativiteitsbias en zijn dan meer gericht op negatieve informatie dan op positieve informatie. Veel kinderen en jongeren met problemen vallen negatief op en ondervinden veel nadeel van die negativiteitsbias. Daarnaast hebben we last van een bevestigingsbias, we zijn vooral gericht op bevestiging wat we al denken en niet op ontkrachting daarvan. Het is dan ook heel moeilijk om zelf een negatief beeld dat anderen van je hebben, weer om te draaien.

Door (on)rechtvaardigheid te betrekken bij onderzoek naar probleemproblematiek neem je kinderen en jongeren serieus.

Ook wetenschappers/onderzoekers maken deel uit van de brede omgeving van kinderen en jongeren met problemen. Zij dragen bij aan het speelveld waarbinnen gedragingen van kinderen, jongeren en de omgeving worden beoordeeld. Het is dus cruciaal dat er goede onderzoeken worden uitgevoerd met de juiste aannames en uitwerking. Onderzoeken waarin ruimte is voor een brede en open blik naar verschillende achtergronden, oorzaken en oplossingen van problematisch gedrag. Wetenschappers/onderzoekers hebben daardoor ook verantwoordelijkheid voor het zorgen voor een goede sociale omgeving van kinderen en jongeren met probleemgedrag. Goed luisteren naar alle belanghebbenden hoort daarbij en kan er voor zorgen dat alle belangen en zienswijzen in beeld komen. Dat kan voorkomen dat onterecht een negatief beeld ontstaat en in stand wordt gehouden, terwijl dat niet nodig is. Kinderen en jongeren met problemen hebben professionals nodig die kritisch zijn ten aanzien van wat ze doen en hun eigen bijdrage aan gedrags- en emotionele problematiek.

Robert Vermeiren probeert dat te doen. Daarom durf ik het belang van het voorgaande uit te leggen aan de hand van een artikel waaraan hij heeft meegewerkt. Dit artikel is kort na zijn ‘verlichting’ in 2015 gepubliceerd, hij kan er inmiddels anders over denken. Ik ben geen echte wetenschapper, maar meer een praktijkmens met belangstelling voor wetenschap, zodat er op de precieze uitwerking wel wat op te merken zal zijn. Mijn motivatie is vooral om, ondanks een beperktere kennis op onderzoeksterrein, bij te dragen aan het veranderen van de kreet ‘Het maakt toch niet uit, het is nooit goed!’ in ‘goed gedrag vertonen wordt gezien en gewaardeerd!’. Daar staat Robert Vermeiren ook voor.

In het artikel ( https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26926604/) wordt verslag gedaan van onderzoek naar fairheidsbeslissingen van jongens met ernstig probleemgedrag. Een lastig blog voor de meer praktijkmensen besef ik, een volgende keer meer praktijk gericht.

Het onderzoeksverslag

  1. Opzet van het onderzoek

Het onderzoek was gericht op gedrags- en neuraal reageren als reactie op emoties die anderen geven in een sociale context bij jongens met een oppositionele gedragsstoornis (CD). Omdat veel criminele jongeren een oppositionele gedragsstoornis hebben, zijn daar de deelnemers gezocht. De CD groep bestaat uit jongens van 15-19 jaar, die verdacht worden van of  veroordeeld zijn voor criminele daden en een oppositionele gedragsstoornis hebben, sommigen hebben ook ADHD. De controle groep bestaat uit ‘normale’ jongeren van dezelfde leeftijd, de TD groep. De CD groep bestaat voor 85% uit jongens van minderheidsgroepen, de TD groep 27%.

Er wordt gekeken naar de mate van fair handelen en de invloed daarop van boze, teleurgestelde en blije emoties van anderen. Er zijn twee fases waar een week tussen zit. In fase 2 worden er ook fMRI-scans gemaakt en vullen ze na afloop een vragenlijst in over o.a. gevoelens van schuld, angst en boosheid.

Fase 1 is een pre-fase om jongens voor fase 2 te selecteren. Ze moeten zich inbeelden dat ze voor een bedrijf gaan onderhandelen met een ander. Daarna krijgen ze via een computerscherm van een ander (fictief en voorgeprogrammeerd) een emotionele reactie te lezen op een aanbod. De reactie kan boos, teleurgesteld of blij zijn, het betreft twee negatieve emoties en één positieve. Vervolgens verdelen ze 10 tokens tussen hunzelf en de ander, waarbij ze kunnen kiezen uit 6-4, 5-5 eerlijk delen of 4-6. De meeste jongens kiezen voor 6-4 en die gaan door naar fase 2, het eigenlijke experiment.

Geen bedrijfsscenario vooraf in fase 2. De deelnemers horen dat hun eerdere keuze van 6-4 is voorgelegd aan 60 leeftijdgenoten. De reacties van die leeftijdgenoten (fictief en voorgeprogrammeerd) kunnen ze op een computerscherm lezen. Dat kan een reactie van boos, teleurgesteld of blij zijn. Vervolgens verdelen ze 10 tokens tussen hunzelf en de ander in een Dictator Game. De opties zijn 5-5 versus 7-3; 6-4 versus 4-6; 3-7 versus 7-3; en 5-5 versus 6-4, ze leren dat de ander hun verdeling moet accepteren. Er worden tijdens deze fase fMRI-scans gemaakt. Na afloop vullen ze de vragenlijst in.

  1. Wat waren de verwachtingen vooraf?

Jongens met een oppositionele gedragssstoornis (CD) hebben sociale gebreken, zoals moeite hebben met het verwerken van affectieve reacties. Op basis van eerdere onderzoeksresultaten werd verwacht dat deze jongens met minder response reageren op emoties van anderen in vergelijking met de TD groep. Dat zou dan  zichtbaar worden in minder differentiatie bij fairheidsbeslissingen na de drie emoties en minder activatie in sociaal cognitieve hersengebieden. Verder werd verwacht dat de CD groep vaker unfair zal reageren op de emotie boos, vooral getriggerd wordt door boze reacties en meer aandacht geeft aan vijandige aanwijzingen bij de ander.

  1. Wat zijn globaal de resultaten van het onderzoek?
  1. Gedragsresultaten:

Er zijn bij beide groepen na de emotie boos significant meer unfaire verdelingen dan bij teleurstelling. Op fairheid verschillen de groepen niet bij de gecombineerde emoties. Er is een trendverschil in de reacties tussen de groepen. De CD groep geeft bij alle emoties vergelijkbare verdelingen (50% fair), er is geen differentiatie. De TD groep geeft meer unfaire verdelingen (60% bij boos en 67% bij blij) dan de CD groep. Bij teleurgesteld benaderen ze de faire verdeling van de CD groep (49,2%), er is differentiatie. Alleen de emotie blij is statistisch significant: bij blij geeft de TD groep veel meer unfaire verdelingen dan de CD groep. Er is een negatieve correlatie tussen gevoelens van schuld bij boos-reacties met unfaire aanbiedingen op boos-reacties in de TD groep, maar niet bij de CD groep. Verder correleren schuldgevoelens na reacties van teleurstelling negatief met unfaire aanbiedingen in reactie op teleurstelling bij de TD groep, maar niet bij de CD groep. Bij boos zijn er geen groepsverschillen.

  1. FMRI-resultaten:

Eerst is er gekeken naar verschillen in het brein met een blij (positieve) versus boos(negatief) en teleurgesteld(negatief) contrast. Er blijkt bij de CD groep minder activatie in het cluster rTP en rSMG, een cluster in de linker superior parietal lob en in de somatosensory cortex. De groepsverschillen blijven bestaan in het gebied rSMG bij vergelijking van blij met boos en van blij met teleurgesteld. Bij een blij-boos contrast is er bij de CD groep ook minder activatie in de rDLPFC  dan bij de TD groep. Er zijn geen verschillen tussen de groepen als de twee negatieve emoties (boos en teleurgesteld) worden vergeleken.

Vervolgens worden vanwege de gevonden verschillen tussen de CD en TD groep de relaties tussen de fairheidsbeslissingen en gebieden met hersenactiviteit voor de ‘blij’ conditie nader bekeken. Er is een negatieve correlatie tussen het percentage unfaire verdelingen en rTPJ/SMG activiteit voor de TD groep, niet voor de CD groep. TD jongens met meer in vergelijking tot minder activiteit in dat gebied neigen ertoe om meer faire verdelingen te geven na blij. Voor de TD groep lijkt  rTPJ/SMG activatie geassocieerd met individuele verschillen in fairheidsbeslissingen in reactie op blij, niet voor CD. Er zijn geen verschillen bij jongens met en zonder ADHD.

  1. Algemene conclusie onderzoekers

Het onderzoek geeft gedrags- en neuraal bewijs voor interpersoonlijke problemen bij jongens met een oppositionele gedragsstoornis. Ze differentiëren minder in hun fairheidsbeslissingen in reactie op verschillende emoties van anderen. Dat is geassocieerd met een afgenomen reactie op deze emoties in hersengebieden die belangrijk zijn voor sociale beslissingen. Normale jongens zijn sensitiever naar de emoties van anderen. Wel geven ze vaker unfaire verdelingen. Oppositionele jongens tonen bij blij in vergelijking tot de emotie boos en teleurgesteld minder activatie in het gebied dat betrokken is bij perspectiefnemen en aandacht, in vergelijking met normale jongens. Jongens met een oppositionele gedragsstoornis hebben moeite met het verwerken van expliciete aanwijzingen van anderen op zowel neuraal als gedragsniveau. Deel jij deze conclusie?

Een andere conclusie en verklaring vanuit rechtvaardigheidsperspectief

De resultaten zijn niet geheel volgens de verwachting. De CD groep differentieert weliswaar minder bij de fairheidsbeslissingen na emoties van anderen dan de TD groep en er is ook minder activatie in de sociaal cognitieve hersenengebieden, maar dat is m.i. onvoldoende onderbouwing voor de conclusie dat ze minder sensitief zijn en interpersoonlijke problemen hebben. Immers, de groep ‘normale’ jongens (TD) geeft meer unfaire verdelingen en benadert alleen bij teleurgesteld hetzelfde niveau faire verdelingen als de CD groep. Vooraf werd verwacht dat de oppositionele jongens unfair zouden handelen en nu blijkt dat de TD groep te zijn. Omdat ze in alle gevallen evenveel geven zijn ze minder sensitief naar de emoties van anderen. Unfair handelen en bij teleurgesteld dat minder doen bij de TD groep is dan sociaal sensitief omdat er gedifferentieerd wordt. Vreemd, de TD groep is lijkt sensitief vanuit meer eigenbelang. Met wie heb jij liever te maken: met iemand die vaker eerlijk deelt of iemand die vooral verdeelt in eigen voordeel? Het lijkt erop dat het negatieve beeld van jongens met oppositioneel gedrag en het positieve beeld van normale jongeren vertekenend werkt. Unfair handelen wordt positief en fair handelen wordt negatief en als dat toch als positief wordt beschouwd, dan wordt het naar negatief toe geredeneerd: ze slijmen om een goede indruk op de proefleider te maken voor het geval dat de informatie toch naar de autoriteiten gaat! Zijn hier de negativiteitsbias en bevestigingsbias aan het werk?

De mogelijkheid dat jongens met oppositionele problematiek een sterker gevoel voor rechtvaardigheid hebben en daar hun voorkeur voor eerlijker verdelingen uit voortkomt, wordt niet onderkend. Ook niet dat het waarnemen en ervaren van onrechtvaardigheid hersenen in de ‘dreigingsstand’ kan zetten, waardoor ze vooral zijn gericht op de dreiging (onrechtvaardigheid) en hoe daar mee om te gaan en minder op de omgeving. Dat kan vervolgens leiden tot een ‘vlucht’ of ‘vecht’ reactie. Misschien niet voor de hand liggend, maar stelen kan een ‘vecht’ reactie zijn na  onrechtvaardigheid (denk alleen maar aan Robin Hood, wel een ‘good guy’).

Wij hebben een aanboren gevoel voor rechtvaardigheid, onze eerste impuls is om onrechtvaardigheid te corrigeren, die impuls moet onderdrukt worden om te liegen of unfair te handelen. Liegen of unfair handelen vraagt meer capaciteit van de uitvoerende functies en zelfcontrole dan rechtvaardig handelen. Als onrechtvaardig handelen of liegen een gewoonte wordt vraagt dat weer minder capaciteit. Het hebben van minder activiteit in de betrokken hersendelen bij de CD groep past daarbij: zij geven meer eerlijke verdelingen na de emoties, dan de TD groep. Als de TD groep meer gericht is op eigenbelang en vaker unfaire verdelingen geeft, dan zal dat eerder gewoonte worden en minder capaciteit vragen. Teleurstelling wijkt dan af van wat ze gewend zijn, terugtrekken van de impuls tot unfair handelen vraagt dan meer capaciteit van de cognitieve functies. De historie van de jongens in unfair handelen doet er dan ook toe. Verder lijkt het mij logisch dat de groep oppositionele jongeren minder schuldgevoel heeft dan de ‘normale’ jongeren als ze meer eerlijke verdelingen geven.

Een redenering vanuit rechtvaardigheidsperspectief past ook bij de door de onderzoekers genoemde resultaten van van den Bos en collega’s, 2014 en van Kleeft en collega’s, 2010. Die geven aan dat jongens die betrokken zijn bij criminele activiteiten minder geneigd zijn een lager bod van anderen te accepteren, zelfs indien ze weten dat de ander geen keuze heeft om een fair bod te geven. Ook hebben ze minder activiteit in het hersengebied voor sociale cognitie en aandacht. Agressieve jongens zouden zich vooral richten op het unfaire bod en minder beïnvloed worden door het perspectief van anderen. Ze zijn minder geneigd contextuele informatie te betrekken bij sociale uitwisseling dan de ‘gezonde’ populatie, die reageren met faire aanbiedingen na het lezen van teleurstelling van de ander. (Merk je op dat ook hier fair handelen (3x) als negatief en niet normaal wordt geïnterpreteerd en unfair handelen (2x van 3) als positief wordt gezien en normaal?). Ook past het bij de resultaten van Orobio de Castro en collega’s, 2002, waaruit blijkt dat vijandige attributies vooral spelen bij ambigue situaties, het betreft hier, zoals de onderzoekers zelf ook al aangeven, extreme emoties.

Fairheid sec is niet meegenomen en dat is een nadeel van het onderzoek geven de onderzoekers aan. Daar kan ik alleen maar mee instemmen.

Tot slot

Met dit voorbeeld wil ik laten zien hoe belangrijk het is, dat ook wetenschappers en andere professionals breder kijken dan wat gangbaar is en probleemgedrag ook vanuit rechtvaardigheid analyseren. Dat kan een verschil van dag en nacht zijn voor kinderen en jongeren met problemen. Zij hebben nodig dat er meer naar hun geluisterd wordt en naar een bredere omgevingsinvloed wordt gekeken, zoals Vermeiren terecht aangeeft. Ik hoop door o.a. dit blog en mijn boek bij te dragen aan het oprekken van het denkraam voor onderzoek naar probleemgedrag en stoornissen en dat ‘Het maakt niet uit wat ik doe, het is nooit goed’ gaat veranderen in ‘goed gedrag wordt gezien en gewaardeerd!’.

Groet van Anja!

Zie ook

  1. Aflevering d.d. 4 Augustus 2021 van het TV programma ‘Zomergasten’ met Robert Vermeiren als gast.
  2. Podcast in Trouw van 30 juli 2021 met Robert Vermeiren, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie LUMC, Ariane de Ranitz, psychiater GGZ Centraal en Branko van Hulst, kinderpsychiater LUMC Curium.
  3. Klapwijk ET, Lelieveld GJ, Aghajani M, Boon AE, van der Wee NJ, Popma A, Vermeiren RR, Colins OF. Fairness decisions in response to emotions: a functional MRI study among criminal justice-involved boys with conduct disorder. Soc Cogn Affect Neurosci. 2016 Apr;11(4):674-82. doi: 10.1093/scan/nsv150. Epub 2016 Feb 29. PMID: 26926604; PMCID: PMC4814796.
  4. Orobio de Castro B., Veerman J.W., Koops W., Bosch J.D., Monshouwer H.J. (2002). Hostile attribution of intent and aggressive behavior: a meta-analysis. Child Development , 73(3), 916–34. https://research.vu.nl/ws/files/1828280/Orobio%20de%20Castro%20Child%20Development%2073(3)%202002%20u.pdf
  5. van den Bos W., Vahl P., Güroğlu B., et al. (2014). Neural correlates of social decision-making in severely antisocial adolescents. Social Cognitive and Affective Neuroscience , 9(12), 2059–66. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4249473/
  6. van Kleef G.A., De Dreu C.K.W., Manstead A.S.R. (2010). An interpersonal approach to emotion in social decision making. Advances in Experimental Social Psychology , 42, 45–96. https://pure.uva.nl/ws/files/1119499/90905_Van_Kleef_et_al._Advances_July1_FINAL.pdf
  7. Diender, J.G.M. ‘Ze moeten altijd mij hebben!’ 2020, ISBN 9789464182200 en 2021 (ebook) ISBN 9789464184204, Brave New Books.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.